Thursday, June 11, 2020

Description of Kristina in "Hollandsche Mercurius", March 1654

Source:

Hollandsche Mercurius, March 1654


Mémoires concernant Christine, volume 1, Johann Arckenholtz, 1751, page 431


The description:

Christina, Coninginne der Sweeden, Gotthen, &c. Dochter des grooten Gustaef Adolfs / was nu tot den Ouderdom van 27. a 28. Jaren gekomen: Ende alhoewel sy van een meer als gemeen openhartigh ghemoet was / nochtans wist sy haer affetien na d'occasie genoeg in te tomen / waer door sy ook meestresse van al hare passien wiert: Haer gedaente ende verstant / haer manieren ende vlijtigheyt diese van kints-been liet blijcken / zijn meer als verwonderens weerdich: Maer als sy nu tot de Kroon gekomen was / bewees sy mette daet dat hare bysondere deugden niet te vergeefs in haer geplaetst en warẽ: Want / sy en sorgden niet meer als voor 't gemeyne best: In saken van Justitie was sy gants precijs / evenwel so medelijdent / dat se dichmael verhaelde nopt een doot-schuldighe ghedoemt te hebben of het kosten haer tranen: Sy en liet niemant ongetroost van haer gaen: En was selfs in 't vermanen voorgaende met de daedt: Geleerde Lupden had sy uyttermaten besint / en verheerlijckte niet alleen die uyt haer Rijck Inboorlingen waren / waer noodighden oock de Vreemdelingẽ uyt alle Gewesten tot haer: Een was Grotius niet genoegh door ervarentheyt wijs te zijn / noch Salmasius geschickt te redenkabelen / en Descartes wonderlijck te philosopheren / sy en mosten dese Noorder Sterre eerst besocht hebben / ende sy en scheyden niet eer / oft na ondervindinge der waerheyt / keerden also vergenoeght en verwondert wederom / als sy verlangende heen getrocken waren. Wat zy de Poëten / Schilders / en andere Geesten heeft gedaen / weten de Hollanders alleen genoegh.

Voor soo veel haer ghedaente belanght / sy was tamelijck van langde / de schouders wat opgetrocken / ende wacker van gesicht / de neuse een weynigh in 't midden geboghen: Vrouwelijcks en had sy niet als de nativiteyt / want behalvens dat haer gants Lichaem en manieren niet mette Juffers accordeerden / soo was oock hare stem geheel mannelijck: Te Paerde was sy soo wacker als eenigh Ruyter / alhoewel zylinghs zittende: Van gemackelijck zich te koesteren hielt sy niet / want sy in 't koutste van den Winter wel dorst in een Ys-Slee haer van Elandekens ofte Reen laeten trecken / ettelijcke Duyste Mijlen in een uyr: Over de Spijse hoorde men haer noyt klagen / maer at van de geringste en hartste kost soo graegh als van het kostelijckste Wilt-braet: Nimmer sach men haer leedigh / want den tijdt van 5. uren die sy 's Nachts sliep / waren haer noch te veel: In Tienderlepe Talen was sy kundigh / en besteede 's morgens 5 a 6 uren in 't lesen ende schrijven: Hier in soo veerdigh zijnde / datter geen Brieven van eenighe uytlantse Staeten quamen die sy niet eerst en las / waer op sy aenskondts dan antwoort dicteerden / en soo dede zy in publijcke saken / soo die tot binnen en buyten de Croon haer opsigt hadden / 't sy in 't verleenen van Audientien / confereren met uytlantse Gesanten / als 't disponeren van 's Rijcks affairen.

Het respect dat sy door al dese hare groote bescheydentheydt onder hare Hovelingen had / was meer als die van eenig Christen Potentaet / want alhoewel sy oock somtijdts boertende was / nochtans en verminderde dat geensins haere Authoriteyt / dewijle sy de maet in alles scheen te treffen: Het was een wonder om zien dat wanneer sy maer en sprack / elck voor haer beefde / jae dat dien manhaften ‡ Generael de welcke heel Duytsland had doen zidderen / voor haer soo ootmoedigh als een kint was.

Tot haer ghemeyne spraeck-tael ghebruyckten sy niet als Frans / en nochtans was sy in die van andre Natien oock seer wel ervaren: Dan de jalousije en konde sy uyt haer Hof niet verbannen / alsoo de Francoysen met geen goede ooghen vermochten datte Koningin soo veel gemeenschaps met Don Antonio Piemontelli Spaens Gesant hielt: Zy stroyden derhalven uyt / datte voor sz. Pimontelli tusschen haer en den Roomschen koninck van een Huwelijck handelden / eñ Spangien alsoo door eeuwige bruntschap van Sweden verseeckert socht te zijn. 'd Engelsen waren ambitieux op de Koninginne / dewijl sy haer altoos soo strickt met Vranckrijck had verbonden / en met des selfs Ambassadeur Monsr. Chanut so familliaer was geweest / dat se hem oock hare secreetste desseynen hadde bekent gemaeckt. Eñ den Hollants en Deensche Ambassadeuren (dewijl zy noch met Engelant oorloghden) sagen ongeern dat d' Heer Witlock soo neerstigh in zijn Tractaet progresseerden. Maer d' Enghelse Royalisten die rontsom vol jalousije waren / vertrocken met herten leet sommige na Duytslant / en andre na Poolen.

Doch gelijck wy geseyt hebben dat hare Majesteyt een voorlichtige Princesse was / soo heeft sy 't selve aen al dese Ghesanten bewesen / daer mede / dat se elck in 't zijne satisfactie gaf: Pimontelli sent sy in een Vergult Schip weder na huys: Chanut haren groten confident zijn besoignes van continuatie verricht hebbende / quam van daer met reputatie in den Haghe: De Engelse Gesant obtineerden noch in zijn Nieu Verbondt: En Hollandt en Denemarcken na alle goede Officien scheyden insgelijcks als Geallieerden: Met Koninclijcke Geschencken niemant voor-by gaende.

Dan gelijck wy in ons 4. deel folio 124. verhaelt hebben / dat hare Majesteyt de Sweedse Croon gesint was te resigneren / op haeren wettelijcken Neve Karel Gustaef: Soo bleef sy in die meyninge als noch continueren / te meer / om dat Sweden nu met yeder in vrede sat / en de voorsz. Resignatie dan te veyliger geschieden konde. Hier af had sy 't voorleden Jaer den Fransen Ambass. Chanut aller eerst haer intentie geopenbaert / die haere Majesteyt doenmaels daer op weder om te gemoet voerden alles wat zijn Ed. tot stuytinge van die Resignatie konde by-brengen / dan te vergeefs / hy ontfangt dan van de Coninginne desen Brief / die hem in den Hage wiert behandigt:

Ick hebbe U voor desen de redenen geseydt, welcke my bewoghen hebben om te blijven in het voornemen van myn afstandt van de Croone. Ghy weet dat dese fantasie langen tijt in my gheweest is, ende dat het niet anders geschiet, als na dat ick acht Iaren langh daer op ghedacht hebbe, dat ick gheresolveert ben 't selfde te executeren. Het zyn ten minsten vyf jaren, dat ik dese resolutie U ghecommuniceerdt hebbe, ende ick sagh alsdan, dat het uwe pure affectie was, ende het interest 't welck ghy naemt in myn Fortuyne, die U obligeerden my teghen te spreken, ja selfs, tegens de redenen, de welcke Gy niet en kost veroordeelen. Het zy wat moeyte dat Ghy naemt om my daer van af te raden, nam ick geneuchte te sien dat gy niet met allen in dese overdenckinge vondt, 't welck my onweerdigh konde zyn. Ghy weet 't gheene ick U over dese saecke gheseyt hebbe de laetste-mael wanneer ick satisfactie hadde om U te onderhouden. Alle de dingen dieder voor-gevallen zyn in soo langhen tijt, hebben nimmermeer my doen veranderen. Ick heb alle mijne Actien ghereguleert na dat Wit, inde de selve na dat eynde geleyt, sonder balanceren. Nu ick gereet ben mijn personagie af te spelen, om my achter het Tonneel te retireren, en quelle ick mijn selven niet met Plaudite. Ick weete wel dat het Tonneel-Spel 't welck ick gepresenteert hebbe, niet en is ghemaeckt gheweest volgende de ghemeene Wetten van het Tonneel. Het is beswaerlijck, dat eenighe groote manhaftigheyt en kloeckmoedigheydt daer in zijnde, behaeghlyck kan zijn: Ick late yder een daer van oordeelen na sijn verstant: Ik kan haer de vryheyt niet ontnemen, ende ick soude het oock niet willen doen, wanneer het in mijn macht ware. Ick wete wel, datter weynigh persoonen sullen zyn, dieder favorabel van sullen oordeelen, ende ick verseeckere my, dat Ghy van dat getal zyt. De andere Menschen en weten mijn redenen en de humeur niet, ende ick hebbe aen niemandt my oock verklaerdt, als aen U, ende aen een andere Vriendt, die een groot ende heerlyck gemoedt genoegh heeft, om daer van te oordeelen, gelyck Ghy. Sufficit unus. Sufficit nullus. Ick vraghe nae de andere niet, ende ick soude yemant van dien hoop eere aen doen dien ick belachelyck genoech soude oordeelen, om my daer van te diverteeren. Ick sal nimmermeer de moeyte nemen, om myn verantwoordinghe haer te doen, ende in de groote ledicheydt die ick mijn selven toe-bereyde, sal ick nimmermeer tydts genoech hebben, om haer te ghedencken. Ick sal de selfde besteden om mijn gepasseerden tijt te examineren, om mijne dwalinghen te verbeteren, sonder my te berouwen ende te verwonderen, dat ick playsier sal hebben te ghedencken dat ick eenighe Menschen goet gedaen hebbe met vreuchde; dat ick sonder barmherticheyt gestraft hebbe den ghene, die het verdiende. Ick sal myn vertroosten, dat ick niemanden crimineel gemaeckt hebbe, die het niet en was, ende dat ick oock gespaert hebbe die het waren. Ick hebbe de behoudenisse van de Staet geprefereert voor alle andere consideratien. Ik hebbe altoos des selfde Interesten met blijdtschap gesacrifieert, ende daer is niet waer in ick te beschuldigen ben in de bedieninge des selfde. Ick hebbe sonder hoveerdye ghepossedeert, ende ick verlate met lichtigheyt. Na dat, en vreest voor my niet, Ick ben in verseeckertheyt, ende mijn welvaren en bestaet niet in perijckel vande Fortuyne. Ick ben geluckig, 't zy wat my soude mogen over komen, Sum fœlix tamen o Superi, nullique potestas, hoc auferre Deo. Ia ick ben gheluckigh, meer dan eenige persoon, ende sal altoos gheluckigh zyn. De voorsienigheyt, daer ghy my van spreeckt, en bekommert my niet. Omnia sunt propitia, het zy datse de moeyte wil nemen mijne affairen te regleren, submittere ick mijn selven met respect en de resignatie onder haer wille: het zy datse het beleydt van mijn selven aen my late; sal ick altoos imployeren de faculteyten diese in myn herte ende verstant gegeven heeft, om mijn ghelucksaligh te maken, ende ick sal het zyn, soo langhe als ick gepersuadeert sal zyn, dat ick niet behoore te vreesen, noch van menschen, noch Godt. Het ghene my noch des levens resteert, sal ick besteden om dese overdenckingen my familiaer te maecken, om mijn ziel te verstercken ende uyt de Haven te aenschouwen de tormenten van den genen de welcke in het leven gedreven worden door de tempeesten die men daer lijt, door gebrek datse haer herte tot dese overdenckinghen niet geappliceert hebben. Ben ick niet weerdig om benijt te worden in de Staet daer ick in ben? Ick soude voorwaer van al te veel menschen benyt worden, indien myn geluksaligheyt bekent ware. Ghy bemint my nochtans genoeg, om my het selfde niet te benyden, eñ ick meritere het, dewyl ick de openhertigheydt hebbe te bekennen, dat ick een gedeelte van dit gevoelen van U hebbe. Ick hebbe de selfde vernomen in Uwe Discoursen, ende ick hoope eenmael wanneer ick ledigen tijt sal hebben, deselfde met U te bouwen. Ick verseeckere my, dat ghy niet kondt mankeeren in U Woort, ende dat gy niet ophouden sult in dese veranderinge mijn Vrient te syn, dewyl ick niet en abandonnere 't welck uwe Reputatie weerdich is. Ick sal U myn Vrientschap conserveren, het zy in wat Staet dat ick soude mogen syn, eñ Ghy sult sien datter geen veranderinge kan voor-vallen, dewelcke dit gevoelen kan veranderen, waer van ick Glorie make. Gy weet dit alles, ende gy gelooft sonder twijffel, dat de grootste versekertheyt die ick U kan geven van Mijn selven, is, om U te seggen, dat ick altoos sal zyn.
CHRISTINA.

Op soodanigh gevoelen ruste hare gemoet soo ernstigh / dat haere Majesteyt de belofte welcke sy Anno 1650, als sy gekroont wierdt dede / achtervolghen wilde / te weten / haren Cousijn de Croon ende alles op te dragen: Hier toe heeft sy tegens den 3. deser de Stenden van gheheel Sweden te Stocholm by een doen komen / aen wien zy hare ongehoorde Resolutie heeft geopenbaert / ende datse tegen den 12. deser dieshalben na Nykoping den voorsz. Prince Carel Gustaef wilde gaen vinden / om hem tot de ged. Resolutien te persuaderen: De Stenden liever willende dat sy soude continueren / vermochten niets haer begeerte te veranderen. Waer of wy hier naer wat breder op zijne plaets sullen spreecken.

Partial French translation (by Arckenholtz):

Christine, fille du Grand Gustave-Adolphe avoit atteint l'âge de 27 à 28 ans lorsqu'elle abdiqua la Couronne de Suède. Cette Princesse, avec un cœur plus ouvert qu'on ne l'a ordinairement, savoit néanmoins dans l'occasion si bien retenir ses passions, qu'elle en devint maitresse absoluë. L'air, l'esprit, l'application, les manières qu'on vit en elle dès l'enfance, sont au-dessus de toute admiration. Lorsqu'elle fut montée sur le Trône, elle fit bien connoître que ce n'étoit pas envain que la Nature l'avoit ornée de qualités si éminentes; car elle n'eut d'autre soin, que celui de procurer le bien public. Exacte dans l'administration de la justice, elle étoit en même tems touchée d'une compassion telle qu'elle disoit souvent n'avoir jamais condamné de criminel à mort, qu'il ne lui en coûtât des larmes. Jamais personne ne sortit d'auprès d'elle, sans avoir reçu des marques de sa protection: & ce qui méritoit d'être raporté d'abord, singuliérement affectionnée pour les gens de lettres, elle honnora non seulement les Savans de son Roïaume, mais encore elle invita les étrangers de tout païs à la venir trouver. L'expérience consommée de Grotius, l'éloquence judicieuse de Saumaise, la philosophie admirable de Descartes ne furent rien pour ces savans, qu'ils n'eussent été voir cette Etoile du Nord, & ils ne la quittérent pas sans avoir appris par eux-mêmes la vérité de ce qu'on en disoit; aussi s'en retournérent-ils avec une satisfaction & une admiration aussi grande, qu'avoit été le desir qui les avoit portés à la venir voir. Ce que cette Princesse a formé de Poëtes, de Peintres & d'autres beaux Esprits, est assez connu de tous les Hollandois.

Quant à sa personne elle étoit d'une taille médiocre aïant les épaules hauts, les yeux vifs, le nez un peu courbé vers le milieu. Elle n'avoit de femme que le sexe; sa préstance, ses manières, sa voix même étoit tout à fait mâle. Elle se tenoit à cheval aussi bien qu'aucun Cavalier, quoiqu'elle s'y assit de côté. Cherchant peu ses aises, elle étoit si éloignée de se délicater, que dans le plus rude de l'hiver elle se faisoit trainer sur la glace pour des Elans ou des Rennes qui lui faisoient faire quelques milles d'Allemagne en une heure de tems. Jamais on ne l'entendit se plaindre de la nourriture, mais elle mangeoit la viande la plus commune & la plus dure avec autant d'appetit que le gibier le plus exquis. Jamais on ne la vit oisive, cinq heures qu'elle mettoit à dormir, lui paroissoient encore trop. Elle savoit dix langues, & passoit cinq ou six heures le matin à lire & à écrire; en quoi elle étoit si expéditive, qu'il ne lui venoit aucune lettre des autres Etats, qu'elle ne lût sur le champ; elle en dictoit tout de suite la réponse, & donnoit en même tems tous les ordres nécessaires pour l'Etat. Avant midi apliquée à tout ce qui concernoit l'intérieur & l'extérieur du Roïaume, elle donnoit des audiences, conféroit avec les Ambassadeurs étrangers, & régloit les affaires de la Couronne.

Le respect, que sa grande retenuë lui attiroit des Courtisans, étoit au-dessus de celui qu'on porte à tout Potentat Chrêtien. Quoique quelquefois elle s'égaïât dans ses discours, cependant son autorité n'en étoit nullement diminuée, vû qu'elle savoit faire tout avec modération; & c'étoit une merveille de voir, qu'à peine ouvroit-elle la bouche, que chacun trembloit en sa présence, jusques-là même que le Grand Général Wrangel, qui a fait trembler toute l'Allemagne, étoit lui-même devant cette Princesse aussi soumis qu'un enfant.

Elle ne parloit ordinairement que François, quoique bien versée dans les autres langues; mais elle ne pût bannir la jalousie de sa Cour. Les François ne purent voir d'un bon œil la familiarité qu'elle témoignoit à Dom Antonio Pimentelli, Ambassadeur d'Espagne, aussi répandirent-ils que cet Ambassadeur traitoit d'un mariage entr'elle & le Roi des Romains, & que par-là l'Espagne cherchoit à s'assûrer une éternelle amitié avec la Suède. Les Anglois n'étoient pas moins attendifs sur la Reine, parce qu'elle s'étoit toûjours liée étroitement avec la France, & qu'elle avoit été si familiére avec Mr. Chanut Ambassadeur de cette Cour, qu'elle lui avoit découvert ses desseins les plus secrèts. Ceux de Hollande & de Dannemarck qui étoient encore en guerre, voïoient avec peine Mr. Whitlock avancer si fort dans son Traité. Quant aux Anglois Roïalistes qui crêvoient de jalousie, les uns allérent porter leur chagrin en Allemagne, & d'autres en Pologne.

Toutefois comme nous avons parlé de la sagesse & de la prudence de cette Reine, elle la fit voir aux Ambassadeurs des différentes Cours, en travaillant à les satisfaire tous. Elle renvoïa en Espagne Pimentelli dans un vaisseau fort orné de dorures: Chanut, son Confident, aïant éxécuté tout le sujèt de sa commission, vint de Suède à la Haïe avec la réputation qu'il s'étoit justement acquise. L'Ambassadeur Anglois obtint un nouveau Traité d'Alliance. La Hollande & le Dannemarck en obtinrent pareillement avec toute force de bons offices; & la Reine fit à tous des présens dignes de la magnificence Roïale.

Swedish translation (my own, from Arckenholtz's French translation):

Kristina, den store Gustav Adolfs dotter, hade fyllt 27 till 28 år när hon abdicerade den svenska kronan. Denna prinsessa, med ett hjärta som är mer öppet än man vanligtvis har, visste ändå vid tillfället så bra att hålla sina passioner tillbaka, att hon blev deras absolut härskarinna. Uppsynen, andan, fliten, de sätt som hon har haft från barndomen är framför allt beundran. När hon steg upp till tronen forklarade hon att det inte var förgäves att naturen hade prydat henne med sådana framstående egenskaper; ty hon hade ingen annan omsorg än att skaffa allmänhetens bästa. Försiktig vid rättvisadministrationen berördes hon samtidigt av en medkänsla så stor att hon ofta sade att hon aldrig dömt en brottsling till döds utan det inte kostande henne några tårar. Ingen gick ut från henne utan att ha fått tecken av sitt skydd; och vad som förtjänade att återföras först, särskilt tillgiven emot lärda män, hon hedrade inte bara de vismän i sitt rike, utan också hon bjöd in utlänningar från alla länder att komma och se henne. Grotius' fulländade upplevelsen, Saumaises välgrundade vältalighet, Descartes' beundransvärda filosofi var ingenting för dessa vismän, att de inte skulle ha varit att se denna nordliga stjärna, och de lämnade henne inte utan att ha lärt av dem — till och med sanningen om vad som sades om henne; så de återvände med tillfredsställelse och beundran så stor som det hade varit önskan som hade lett dem att komma och möta henne. Vad denna prinsessa har bildat av diktare, målare och andra vackra sinnen är väl känt för alla holländarna.

När det gäller hennes person, var hon av en medelmåttig storlek med höga axlar, livliga ögon, en näsa lätt böjd mot mitten. Hon hade intet kvinnligt inom henne utom hennes kön; hennes hållning, hennes manér, även hennes röst var ganska manliga. Hon red på hästryggen så bra som någon ryttare, även om hon satt i damsadeln. Hon letade efter få lättheter och var så långt ifrån att njuta av sig att hon på den hårdaste vintern drogs på isen av älgar eller renar som fick henne att resa några mil från Tyskland på en timme. Man hörde henne aldrig klaga på maten, men hon åt det vanligaste och hårdaste köttet med lika mycket aptit som hon åt det mest utsökta viltet. Man såg henne aldrig ledig, de fem timmarna vari hon sov, verkade för mycket för henne. Hon kände tio språk och tillbringade fem eller sex timmar på morgonen med att läsa och skriva; i detta var hon så snabbt, att inget brev från de andra staterna kom till henne att hon inte läste ögonblickligen; hon dikterade omedelbart svaret och gav samtidigt alla befallningar som var nödvändiga för staten. Innan middagstid ansträngde sig hon allt som rör inriket och utriket, gav hon gehör, konfererades med utländska ambassadörer och avgjorde Kronens angelägenheter.

Respekten, som hennes stora återhållsamhet lockade henne till hovmännen, övergick den som man bär till varje kristen potentat. Även om hon ibland var glad i sina tal, minskade hennes myndighet på inget sätt, ty hon visste hur hon skulle göra allt med måtta; och det var ett underverk att se, att då hon knappt öppnade munnen, skälvde var och en i hennes närvaro, till och med var generalmajor Wrangel, som fick hela Tyskland att skälva, själv inför denna prinsessa lika undergiven som ett barn.

Hon talade vanligtvis bara franska, även om den var välbevandrad på andra språk; men hon kunde inte fördåva avundsjukdom på hennes hov. Fransmännen kunde inte med ett gott öga se den kännedom som den visade för Don Antonio Pimentelli, Spaniens ambassadör, så de spridit att denna ambassadör hade att göra med ett äktenskap mellan sig själv och Romers kung, och att Spanien försökte därvid att säkra en evig vänskap med Sverige. Engelskarna var inte mindre uppmärksamma på Drottningen, eftersom hon alltid hade varit nära kopplad till Frankrike, och för att hon hade varit så bekant med Monsieur Chanut, ambassadören vid detta hov, att hon hade avslöjat hennes hemligaste avsikter. De från Holland och Danmark, som fortfarande var i krig, såg med svårighet Mr. Whitelocke utveckla sig så starkt i sitt fördrag. När det gäller de engelska royalisterna som grät av avundsjuk, gick vissa för att bära sorg i Tyskland och andra i Polen.

Men då vi har talat om Drottningens visdom och försiktighet, visade hon sig för ambassadörerna i de olika hoven och arbetade för att tillfredsställa dem alla. Hon skickade Pimentelli tillbaka till Spanien i ett starkt fartyg dekorerat med förgyllning; Chanut, hennes förtroende, efter att ha genomfört hela sitt uppdrag, kom från Sverige till Haag med det rykte han just hade förvärvat. Den engelska ambassadören erhöll ett nytt alliansfördrag. Holland och Danmark erhöll likaså goda kontor med all kraft; och Drottningen gjorde gåvor som var värda kunglig storslagenhet för alla.

English translation (my own, from Arckenholtz's French translation):

Kristina, the daughter of the great Gustav Adolf, had reached the age of 27 to 28 when she abdicated the Swedish Crown. This princess, with a heart more open than one ordinarily has, knew nevertheless on the occasion so well to hold back her passions that she became their absolute mistress. The air, the spirit, the application, the manners that she has had from childhood, are above all admiration. When she ascended to the throne, she made it clear that it was not in vain that nature had adorned her with such eminent qualities; for she had no other care than that of procuring the public good. Exact in the administration of justice, she was at the same time touched by a compassion so deep that she often said that she had never condemned a criminal to death without shedding tears. No one ever came away from her without having received marks of her protection; and what deserved to be brought back first, singularly affectionate for men of letters, she not only honoured the scholars of her kingdom, but she also invited foreigners from all countries to come and see her. The consummate experience of Grotius, the judicious eloquence of Saumaise, the admirable philosophy of Descartes were nothing for these scholars that they would not have been to see this northern star, and they did not leave her without having learned by them — even the truth of what was said about her; so they returned with as great satisfaction and admiration as had been the desire which had led them to come and see her. What this princess has formed of poets, painters and other beautiful minds is well known to all Dutch people.

As for her person, she was of a mediocre size, having high shoulders, sharp eyes, and the nose a little curved in the middle. She has nothing womanly but her sex; her presence, her manners, her very voice were completely male. She rode on horseback as well as any horseman, although she sat sideways. Seeking little ease, she was so far from enjoying herself that in the harshest winter she was pulled on the ice by elk or reindeer that made her travel a few miles from Germany in an hour. One never heard her complain about the food, but she ate the most common and hardest meat with as much appetite as she ate the most exquisite game. One never saw her idle, the five hours that she allowed herself to sleep seemed too much to her. She knew ten languages and spent five or six hours in the morning reading and writing; in that she was so expeditious that there did not come to her any letter of the other states that she did not read on the spot; she immediately dictated the answer, and at the same time gave all the orders necessary for the state. Before noon she applied herself to everything concerning the interior and exterior of the kingdom, she gave audiences, conferred with foreign ambassadors, and settled the affairs of the Crown.

The respect, which her great restraint attracted her to the courtiers, was above that which one carries to any Christian potentate. Although she sometimes was cheerful in her speeches, her authority was in no way diminished, seeing that she knew how to do everything in moderation; and it was a marvel to see that when she barely opened her mouth, everyone trembled in her presence; until then even the Grand General Wrangel, who made all of Germany tremble, was himself before this princess as submissive as a child.

She usually spoke only French, although she was well versed in other languages; but she could not banish the jealousy of her court. The French could not see with a good eye the familiarity which she demonstrated to Don Antonio Pimentel, ambassador of Spain, so they spread the rumour that this ambassador was dealing with a marriage between herself and the King of the Romans, and that thereby Spain sought to secure an eternal friendship with Sweden. The English were no less attentive to the Queen, because she had always been closely linked with France, and because she had been so familiar with Monsieur Chanut, ambassador of this court, that she had revealed her most secret designs. Those of Holland and Denmark, who were still at war, saw with difficulty Mr. Whitelocke advancing so strongly in his treaty. As for the English royalists who were crying with jealousy, some went to carry their grief in Germany, and others in Poland.

However, as we have spoken of this Queen's wisdom and prudence, she showed herself to the ambassadors of the different courts, working to satisfy them all. She sent Pimentel back to Spain in a strong vessel decorated with gilding; Chanut, her confidant, having carried out the whole subject of his commission, came from Sweden to The Hague with the reputation he had just acquired. The English ambassador obtained a new treaty of alliance. Holland and Denmark likewise obtained good offices of it with all force; and the Queen made presents worthy of royal magnificence to all.


Above: Kristina.


Above: Antonio Pimentel de Prado.


Above: Bulstrode Whitelocke.

No comments:

Post a Comment